André de Baerdemaeker: Honderden watervogels gered na olielek in Rotterdamse haven

Het was misschien een kleine vergissing. Een stuurmansfoutje. Maar de gevolgen bleken enorm. Toen het vrachtschip Bow Jubail op zaterdagmiddag 23 juni een steiger in de Rotterdamse Derde Petroleumhaven aantikte, stortte 220 ton bunkerolie zich in het water. De stookolie verspreidde zich in de daarop volgende uren in de Nieuwe Waterweg. Precies op het moment dat daar ruim 800 zwanen zwommen.

olielek

Honderden zwanen raakten met olie besmeurd | ©Vogelklas Karel Schot

Voor knobbelzwanen is de Nieuwe Waterweg een vaste plek om te ruien. Net als de Grevelingen en het IJsselmeer is het gebied rijk aan voedsel. Van heinde en verre trekken de witte watervogels erheen om er hun veren te wisselen. Gedurende die periode kunnen ze niet vliegen en hebben ze veel voedsel nodig.

De olie had verstrekkende gevolgen voor deze populatie zwanen. Meer dan 90% van de aanwezige dieren werd besmeurd. Ook andere watervogels werden getroffen, maar omdat deze dieren vaak nog konden vliegen, bleef de schade daar enigszins beperkt tot enkele tientallen onfortuinlijke individuen. Daarmee was het leed voor de getroffen dieren niet minder pijnlijk.

Vogelklas
De Vogelklas was vanaf de eerste melding van het incident in staat van paraatheid. Voorraden en materialen werden gecontroleerd en medewerkers werden op scherp gezet. Op zondag bleek dat het menens was. Dierenambulances meldden grote aantallen besmeurde zwanen en kondigden de eerste transporten met vogels aan. Sommige medewerkers onderbraken hun vakantie en reisden in allerijl naar Rotterdam terug.

Die eerste dag arriveerden 240 zwanen in de Vogelklas. Dat was te danken aan het fantastische werk van verschillende dierenambulance-organisaties. De capaciteit van het asiel was vooraf op 200 gesteld. Daarmee zat het Rotterdamse opvangcentrum in één klap vol. Daar diende zich meteen een groot probleem aan. Ontzet door de beelden van besmeurde zwanen waren talloze vrijwilligers in het geweer gekomen. Men stond te trappelen om zwanen te vangen, maar waar moesten de slachtoffers gehuisvest worden?

Draaiboeken
Al ruim tien jaar liggen de draaiboeken klaar. Rijkswaterstaat heeft daar met een aantal Nederlandse vogelopvangcentra en Sea Alarm lang aan gewerkt. De samenwerkingsregeling werd geschreven om een groot incident op zee, zoals in 2002 nog heeft plaatsgevonden met het in Het Kanaal gezonken vrachtschip de Tricolor, het hoofd te kunnen bieden. Destijds spoelden honderden zeevogels aan op de Belgische kust. Een rampenplan kan alleen succesvol zijn wanneer vooraf goede afspraken zijn gemaakt. In september vorig jaar oefenden Rijkswaterstaat en talloze aanverwante organisaties nog op grote schaal in het Waddengebied. Daarbij werd ook een noodhospitaal opgetuigd dat honderden besmeurde vogels moest kunnen redden. Nu, in de Rotterdamse haven, is dat plan voor het eerst in de praktijk gebracht. Er zijn inmiddels bijna 500 zwanen in het Noodhospitaal Maeslantkering opgevangen. Een zeldzame samenwerking van vogelredders, de overheid en bedrijven.

Vangen
Er is veel publieke aandacht voor het incident, en dat is niet vreemd. Natuurlijk roept de aanblik van een hulpbehoevende vogel een gevoel van ontreddering op, maar het zet ook aan tot handelen. Die drang is moeilijk te weerstaan – zo weet ik ook uit eigen ervaring – maar er schuilt een adder onder het gras. Er zijn gevallen waarin goedbedoelde hulp een averechts effect heeft. Wanneer met olie doordrenkte en uitgeputte vogels urenlang worden opgejaagd door spontane weldoeners, is het resultaat weleens lelijk. Vogels kunnen gewond raken of erger. Voor iedere vangactie moet daarom zorgvuldig de kans van slagen afgewogen worden. Ook is het verstandig om met getrainde en ervaren mensen te werken waar het op vangen aan komt. Reddingsacties dienen goed gecoördineerd te worden, en dat valt nog niet mee.

olielek

©Vogelklas Karel Schot

Stress
Ook op andere vlakken schuilen de gevaren van onnadenkende redders in nood. Zo kennen we uit de jaren ’60 voorbeelden van grootschalige reddingsoperaties waarbij olievogels massaal zijn gewassen en weer vrijgelaten. Naderhand werd ontdekt dat een groot deel alsnog het loodje had gelegd. De vogels waren weliswaar schoon, maar tijdens en na het proces waren complicaties ontstaan. Waren die terug te voeren op de giftige effecten van de olie? Of waren de dieren door stress vatbaarder voor ziektes en infecties? De onderzoeken maakten er toen geen melding van, maar inmiddels weten we dat stress een gevaarlijke sluipmoordenaar is. Door haast te maken met het wassen van vogels (wat een begrijpelijke drang is in zo’n situatie) werd het schadelijke effect op de vogels in feite versterkt. Dat is een belangrijke les.

Stabilisatie
In de jaren ‘90 is uitgebreid onderzoek gedaan naar effectieve methodes om olievogels te redden. Amerikaanse universiteiten hebben daaraan aanzienlijke bijdragen geleverd. In Europa zijn die lessen getoetst en aangescherpt en de daaruit voortgekomen werkwijzen zijn bedoeld om herhaling van eerdere fouten te voorkomen. Dat gangbare doctrine onder opvangcentra is dat stabilisatie van olieslachtoffers essentieel is om uiteindelijk succes te boeken. Door besmeurde vogels direct na opname vocht en lichaamseigen zouten toe te dienen, worden de effecten van stress ingedamd. Daardoor stijgen de kansen op overleving fors. Wie dat effectief wil doen, moet keuzes maken: de opvangcapaciteit is niet onbeperkt. Daar ontvouwt zich een dilemma. Bij de ramp in de Rotterdamse haven werd al snel duidelijk dat er verschillen van inzicht zijn tussen verschillende dierenhulporganisaties. Tegelijkertijd groeide het besef dat bij een ramp van deze omvang, succes alleen mogelijk is wanneer iedereen op dezelfde manier te werk gaat.

Kritisch
De Nederlandse vogelopvangcentra kennen een lange geschiedenis van hulp aan olieslachtoffers. Door de jaren heen is veel ervaring opgedaan. Inmiddels is er geen opvangcentrum meer te vinden dat de beproefde Europese opvangmethodes niet onderschrijft. Niemand wil de desastreuse voorbeelden uit de jaren ’60 herhalen. Dergelijke mislukkingen zijn niet alleen schadelijk voor de vogels in kwestie, maar ook voor de beeldvorming van vogelopvang in zijn geheel. Het leidt tot het beeld dat de opvang van olievogels een heilloze zaak is. Dat zou natuurlijk ten onrechte zijn. Uiteraard is er ook kritiek op de huidige manier van werken. Operaties op deze schaal verlopen zelden vlekkeloos en er zijn zeker leerpunten. Het opvangen van olievogels is dan ook moeilijk werk en ieder slachtoffer is er een teveel, hoe hard je ook je best doet. Door kritisch naar onszelf en elkaar te kijken, juist als er verschillende inzichten zijn over hoe te handelen, komen we als geheel vooruit.

Samenwerking
Daarom geloof ik in nauwe samenwerkingen tussen opvangcentra onderling en met andere instanties. De huidige oliecatastrofe in de Rotterdamse haven is daarvan – ondanks de intens nare aanleiding – een goed voorbeeld aan het worden. Ik constateer dat, ondanks onderlinge meningsverschillen, vrijwel alle betrokken organisaties in deze situatie de handen ineen slaan, als bondgenoten. Ik ben blij met de snelheid waarin dit tot stand gekomen is. De zwanen van de Vogelklas werden al snel overgebracht naar de Maeslantkering. Daar werken medewerkers van verschillende opvangcentra in teamverband nauw samen. Zij worden ondersteund door een grote groep vrijwilligers van uiteenlopende achtergronden. Sommige van hen zijn ervaren, terwijl anderen dit voor het eerst van dichtbij meemaken. Wie zich inzet om op grote schaal olieslachtoffers te redden, komt soms voor moeilijke momenten te staan. Dat ondervinden deze mensen nu aan den lijve. De voornaamste uitdaging voor de vogelredder (in spe) is het overwinnen van je eigen ontreddering en het omzetten van je dadendrang in gecontroleerd handelen. Dat is beslist niet makkelijk, maar dat is nu net wat al die vrijwilligers in de noodopvang nu aan het doen zijn. Ik heb daar grote bewondering voor.

André de Baerdemaeker – voorzitter Vogelklas Karel Schot

©AnimalsToday.nl

Gerelateerde artikelen: