Op Oostenrijkse reclameafbeeldingen huppelen kalveren door groene weiden. In de supermarkt ligt een ‘blanke’ Wiener Schnitzel, symbool van Oostenrijkse traditie. Wat je echter zelden hoort: een groot deel van dat kalfsvlees komt helemaal niet uit Oostenrijk, maar uit Nederland. En ons ‘witte’ kalfsvlees zou in Oostenrijk helemaal niet geproduceerd mogen worden.

Vaak staat hun wieg niet eens in Nederland. Veel kalveren zijn eerst als piepjonge dieren uit andere landen geïmporteerd, om ze hier in Nederland vet te mesten, waarna ze opnieuw de grens overgaan. Nederland is een spil in de internationale kalfsvleesindustrie. Jaarlijks worden hier honderdduizenden kalveren vetgemest en geslacht, grotendeels voor de export, want kalfsvlees staat hier niet vaak op tafel. De dieren verdwijnen na hun korte leven vooral richting landen als Oostenrijk, waar de vraag naar licht, ‘blank’ vlees groot blijft.
.
Kalfsvlees in de schnitzel
Deze kalveren zijn een reststroom van de zuivelindustrie. Melkkoeien moeten jaarlijks een kalf krijgen om melk te blijven produceren, waarna vooral de mannelijke kalveren verdwijnen richting kalfsvleesketen. Dit systeem begint al ver vóór de Nederlandse stal. Veel kalveren zijn als piepjong dier verhandeld, vaak slechts enkele weken oud. Vooral Ierland is een belangrijke leverancier van deze jonge kalfjes. Juist daar zijn de afgelopen jaren herhaaldelijk misstanden vastgesteld:
- Kalveren die te jong zijn om te vervoeren, die uren tot dagen onderweg zijn zonder voldoende water of melk, jonge dieren die worden geslagen of ruw behandeld. Sommige halen de eindbestemming niet levend.
- Wie het wel overleeft komt terecht in een nieuw land, in een nieuw systeem, als grondstof voor vlees dat uiteindelijk weer in een ander land op het menu staat. Eerst meermalen levend de grens over, daarna nog één keer: luchtdicht verpakt in plastic of diepgevroren op koeltransport.
.
Industrie zonder (morele) grenzen
Ook Oostenrijk exporteert zelf kalveren naar andere landen om ze vet te laten mesten. De vleesindustrie sleept dieren heen en weer binnen Europa, afhankelijk van regelgeving, kosten en marktvraag. Wat telt is niet het welzijn van het dier, maar waar het systeem het meest oplevert. Achter deze handel staan grote spelers, zoals de Van Drie Group, een van ’s werelds grote kalfsvleesconcerns. Een bedrijf dat zeer succesvol is in een keten waarin jonge dieren handelswaar zijn en nationale dierenwelzijnsregels eenvoudig te omzeilen zijn door productie te verplaatsen.

Blank kalfsvlees, bloedarmoede
In Oostenrijk is het verboden om kalveren op een ijzerarm dieet te zetten, omdat dit leidt tot bloedarmoede en ernstig welzijnsverlies. Tegelijkertijd is precies dat blanke vlees daar zo gewild. Het gevolg: een oplossing die moreel onhoudbaar is, maar economisch efficiënt. Kalveren worden simpelweg elders geproduceerd. In Nederland mogen kalveren nog altijd wel een ijzerarm dieet krijgen. Ze leven binnen, bewegen nauwelijks en ontwikkelen opzettelijk een tekort aan ijzer, zodat het vlees licht van kleur blijft. Het kalf betaalt de prijs voor een esthetische voorkeur, die belangrijker is dan zijn gezondheid.
.
Groene beelden, zwarte werkelijkheid
Terwijl consumenten idyllische beelden zien van kalveren in weilanden, speelt de werkelijkheid zich af in transportwagens, dichte stallen en slachterijen. Dierenwelzijn wordt nationaal gepresenteerd als waarde, maar internationaal uitbesteed zodra het schuurt. Dit systeem laat zien hoe weinig dierenbescherming betekent, zolang landen elkaar gebruiken om hun eigen regels te omzeilen. Zolang het mogelijk blijft om dierenleed te exporteren voor schnitzels, verandert er fundamenteel niets. Voor de kalveren betekent dit geen ‘circulaire economie’, maar een cirkel van verplaatsing, uitputting en vroegtijdige dood.
Bronnen:
- Dier&Recht
- Foodlog
- Lees ook op AnimalsToday:
.
©AnimalsToday.nl Mariska van Geelen
Gerelateerde berichten
Strijd mee tegen dierenleed!
Nederlands kalfsvlees in Oostenrijkse schnitzel: dierenleed verplaatst




